Registreren Inloggen Nieuwsbrieven Stratenplan E-Loket Sitemap   Zoeken
vrijdag 30 juli 2010


vvv
ocmw
werking in uitvoering
straatnamen project
diensten » financiën » belastingsreglementen » milieu
milieu
 


Hier kan je volgende reglementen raadplegen over milieu:

- aanbrengen fracties op containerpark
- inzameling plastiekafval, PMD en restafval
-
milieubelasting
-
sluikstort
-
hinderlijke bedrijven
selectieve ophaling van GFT
-
inzameling van piepschuim via het containerpark
-
KGA-container
-
compostbak en compostvat
-
drijfkracht

 

 


 

 

 Retributie op de aanbreng van fracties op containerpark

Artikel 1
Met ingang vanaf 1 juli 2008 tot en met 31 december 2012 wordt er een
retributie geheven op de aanbreng van een aantal fracties op het gemeentelijk
containerpark en het ophalen van grof vuil.
Artikel 2
Volgende retributie is van toepassing voor de aanvoer op het containerpark:
- 4 EUR per m³ op de aanvoer van snoeihout en/of boomstronken ;
- 4 EUR per m³ op de aanvoer van zuiver steenpuin of steenpuin met ijzer;
- 4 EUR per volume van 200 liter op de aanvoer van cellenbeton, gyproc, kalk, gips;
- 4 EUR per pak/bundel roofing;
- 4 EUR per pak/bundel grof vuil;
- 4 EUR per twee treinbils of dwarsbalken
Artikel 3
Volgende retributie is van toepassing op de aanvoer van platen asbestcement of
een vergelijkbare hoeveelheid gebonden asbesthoudend afval op het containerpark:
- Per gezin per jaar kunnen 10 platen asbestcement of een vergelijkbare
hoeveelheid gebonden asbesthoudend afval gratis worden aangebracht op het
containerpark;
- 4 EUR op de aanvoer van 11 tot 20 platen asbestcement of een vergelijkbare
hoeveelheid gebonden asbesthoudend afval;
- 8 EUR op de aanvoer van 21 tot 30 platen asbestcement of een vergelijkbare
hoeveelheid gebonden asbesthoudend afval;
- De maximale hoeveelheid die per gezin per jaar kan worden aangebracht op het
containerpark is 30 platen asbestcement of een vergelijkbare hoeveelheid gebonden
asbesthoudend afval
 
Artikel 4
- 4 EUR per door de reinigingsdienst op te halen pak/bundel of voorwerp wat niet
in de voorgeschreven huisvuilzakken kan geborgen worden.
 
Artikel 5
– Deze retributie wordt door de gemeenteontvanger onder de vorm van stickers geïnd.

Terug naar overzicht 

 

 

Retributie op het inzamelen van plastiekafval, PMD en restafval

Artikel 1
Het belastingreglement op het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen
en/of daarmee vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen – 2008/2012, vastgesteld in zitting
van 27 november 2007 wordt ingetrokken en deels vervangen door onderhavig
reglement.
Met ingang van heden en eindigend op 31 december 2012 wordt een retributie gevestigd
op de inzameling van restafval, plastiek (andere dan PMD) en PMD.
 
Artikel 2
De retributie is verschuldigd door diegene die gebruik maakt van de
dienstverlening en bedraagt :
-zak voor restafval                                                          1,00 EUR
-1100 liter container voor restafval                                     35,00 EUR per ophaalbeurt
-zak voor PMD (60 liter)                                                    0,25 EUR
-zak voor plastiek (ander dan PMD)                                     0,25 EUR
 
Artikel 3
Jeugdcentra waarvan de lokalen gevestigd zijn op het grondgebied van Kasterlee en die aantonen dat ze hoofdzakelijk gericht zijn op jeugdwerking, kunnen, mits schriftelijke goedkeuring van het college van burgemeester en schepenen, 120 liter PMD zakken aankopen tegen een retributie van 0,50 EUR per zak.
 
Artikel. 4
Onderwijsinstellingen, gevestigd op het grondgebied van de gemeente worden vrijgesteld van de retributie van plastiek (andere dan PMD) en PMD.
 
Artikel 5

De retributie van de verschillende zakken wordt geïnd door de gemeenteontvanger.-De retributie van de ophaalbeurten van de 1100 liter containers wordt geïnd na toezending van facturen die binnen de 30 dagen dienen betaald te worden.

Terug naar overzicht 

 

 

Milieubelasting

Artikel 1
Voor de periode 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012 wordt ten behoeve van de gemeente een algemene milieubelasting gevestigd.
 
Artikel 2
 De belasting is verschuldigd door :
§1 – het hoofd van ieder gezin, verblijvend in een woning of in een gedeelte ervan en
ingeschreven op 1 januari van het dienstjaar in het bevolkingsregister of het
vreemdelingenregister van de gemeente Kasterlee.
Onder “gezin” dient te worden verstaan :
-hetzij een persoon die gewoonlijk alleen leeft, verder genoemd éénpersoonsgezin
-hetzij een vereniging van twee of meer personen die, al dan niet door
familiebanden gebonden, gewoonlijk in één en dezelfde woning verblijven en er
samenleven.
§2 – de belasting is in dezelfde voorwaarden eveneens verschuldigd door al wie een
zelfstandig beroep uitoefent of door elke onderneming, instelling of vereniging die
onder gelijk welke benaming ook bedrijfsmatig aktief is.
 
Artikel 3
De belasting wordt als volgt vastgesteld :
-voor de éénpersoonsgezinnen :                               33 euro
-voor de gezinnen van 2 of meer personen:                50 euro
-voor handelszaken, zelfstandige beroepen,
ondernemingen, zoals vermeld in Art.2 §2                   50 euro

Artikel  4                                                                                                                  De belasting is jaarlijks en ondeelbaar met dien verstande dat enkel de op 1 januari bestaande toestand in aanmerking genomen wordt.

 
Artikel 5
De belasting wordt ingevorderd bij wege van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het College van Burgemeester en Schepenen.
 
Artikel 6
De vestiging en invordering van de belasting, evenals de regeling van de geschillen ter zake gebeurt volgens de modaliteiten vervat in de gelijknamige wet van 24/12/1996 zoals aangevuld en gewijzigd door de wet van 15/03/1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen en latere aanvullingen en het uitvoeringsbesluit terzake.

Belasting op het inzamelen van afvalstoffen gestort of achtergelaten op daartoe niet-geëigende plaatsen, zijnde sluikstort

 
Artikel 1
Met ingang van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012 wordt een gemeentebelasting geheven op het weghalen en verwijderen door de gemeente van allerhande vaste en vloeibare afvalstoffen, gestort en/of achtergelaten op plaatsen, waar dit door een wettelijke of reglementaire bepaling verboden is.
 
Artikel 2
De belasting is verschuldigd door de privaat of publiekrechtelijk persoon die de
afvalstoffen gestort en/of achtergelaten heeft. Eventueel is de belasting verschuldigd
door de burgerlijk verantwoordelijke van de private persoon
 
Artikel 3
 De belasting bedraagt voor een volume van:
- minder dan ¼ m³                             100 EUR
- 1/4 m3 tot en met 1m³                     200 EUR
- meer dan 1 m³                                250 EUR vermeerderd met 150 EUR per bijkomende m³  of een gedeelte van m³.
 
Artikel 4
De betaling van de belasting wordt gevorderd onverminderd de gerechtelijke vervolging tegen de personen bedoeld in artikel 2.
 
Artikel 5
De belastingsschuld ontstaat vanaf het ogenblik van het weghalen en verwijderen van de afvalstoffen.
 
Artikel 6
De belasting wordt ingevorderd bij wege van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van Burgemeester en Schepenen.
 
Artikel 7                                                                                                                De vestiging en invordering van de belasting, evenals de regeling van de geschillen terzake gebeurt volgens de modaliteiten vervat in de gelijknamige wet van 24/12/1996 zoals aangevuld en gewijzigd door de wet van 15/03/1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen en latere aanvullingen en het uitvoeringsbesluit ter zake.

Terug naar overzicht

 

 

 
Artikel 1
Met ingang van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012 wordt een gemeentebelasting gevestigd op de aanvraag tot of de melding van het exploiteren of veranderen van hinderlijke inrichtingen, waarvan de lijst en de indeling het voorwerp uitmaken van bijlage 1 van Vlarem I.
 
Artikel 2
De belasting is verschuldigd door de exploitant van de inrichting die gehouden is tot het indienen van de aanvraag of het melden van het exploiteren of veranderen ervan.
 
Artikel 3
 De belasting wordt vastgesteld:
- voor de inrichtingen door Vlarem I gerangschikt in de eerste klasse en onderworpen
aan een milieueffectenrapport en/of een veiligheidsrapport, op 500 euro per inrichting;
- voor de inrichtingen door het Vlarem I gerangschikt in de eerste klasse, op 350 euro
per inrichting;
- voor de inrichtingen door het Vlarem I gerangschikt in de tweede klasse, op 125 euro
per inrichting;
- voor de meldingen in het kader van het Vlarem I, op 25 euro per inrichting
 
Artikel 4
Zijn van de belasting vrijgesteld:
 -inrichtingen bedoeld in artikel 1,8° van het Vlarem I (tijdelijke inrichtingen);
- het verlengen van een vergunning die op proef werd afgeleverd conform Vlarem I;
- inrichtingen geëxploiteerd door beschutte werkplaatsen.
 
Artikel 5
Wat de inrichtingen betreft door het Vlarem I gerangschikt in de eerste klasse,
met inbegrip van de verandering, de melding en melding van verandering ervan,
wordt de belasting ingevorderd bij wege van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
De overige aanvragen of meldingen moeten contant betaald worden tegen afgifte van
een betalingsbewijs. Bij gebreke van contante betaling, wordt de belasting ambtshalve ingekohierd en is ze onmiddellijk eisbaar.
   
Artikel 6
De vestiging en invordering van de belasting evenals de regeling van de geschillen ter zake, gebeurt volgens de modaliteiten vervat in de gelijknamige wet van 24 december 1996, zoals aangevuld en gewijzigd door de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen en latere aanvullingen en het uitvoeringsbesluit ter zake.

Terug naar overzicht

 

 

Retributie op de selectieve ophaling van GFT

Artikel 1
Met ingang van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012 wordt een retributie gevestigd op de selectieve ophaling van GFT.
De retributie bedraagt :
- 2 EUR per lediging van een 120-liter container
- 1 EUR per lediging van een 40-liter container
Bij betaling van de retributie wordt een groene, respectievelijk rode afscheursticker,
dewelke de 120 liter container – respectievelijk 40 liter container verzegelt bij de lediging, afgeleverd.
Uitzonderlijk en na uitdrukkelijke beslissing van het college van burgemeester en
schepenen kan de inning van de retributie gebeuren na toezending van facturen die
binnen de 30 dagen betaald dienen te worden.
 
Artikel 2
De retributie is verschuldigd door diegene die gebruik maakt van de selectieve ophaling van de G.F.T.
 
Artikel 3
De retributie wordt geïnd door de gemeenteontvanger.
 
Artikel 4
De ophaling van GFT zal enkel gebeuren via de groene GFT-containers die door de IOK ter beschikking worden gesteld en die verzegeld zijn met de hogervermelde sticker(s).
Uitzonderlijk en na uitdrukkelijke beslissing van het college van burgemeester en schepenen kan de ophaling gebeuren op basis van een lijst die het aantal te ledigen containers bevat.
Toelevering van GFT-afval op het containerpark is niet mogelijk.
 
Artikel 5
Elk gezin krijgt één GFT-container ter beschikking.
Een tweede container kan door elk gezin, ingeschreven in de bevolkingsboeken van de
gemeente, ter beschikking worden gesteld tegen betaling van een bijkomende retributie van:
- 25 EUR ingeval van een 120 liter container
- 20 EUR ingeval van een 40 liter container.
Deze tweede container moet bij de gemeentelijke dienst – onthaal – worden binnengebracht op het moment van inschrijving in de bevolkingsregister van eenandere gemeente.
 
Artikel 6                                                                                                               Zijn van de retributie vrijgesteld, de onderwijsinstellingen gevestigd op het gemeentelijk grondgebied.

terug naar overzicht

 

 

 
Artikel 1
Onder piepschuim wordt verstaan:
EPS = geëxpandeerd polystyreen – Recyclagenummer 06; te herkennen aan de ronde
korrelvorm in de doorsnede.
 
Artikel 2
Met ingang van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012 is volgende retributie van toepassing voor de aanbreng van piepschuim op het containerpark:
- particulieren:
 hoeveelheden piepschuim kleiner dan 1m³: gratis aanbrengen op het
containerpark;
 hoeveelheden piepschuim van 1m³ of groter: verplichte aanschaf van een daartoe
bestemd recipiënt van 1,4m³ tegen de retributie van 6,50 EUR per recipiënt;
- niet-particulieren: verplichte aanschaf van een daartoe bestemd recipiënt van 1,4m³
tegen de retributie van 6,5 EUR per recipiënt.
 
Artikel 3
 Deze retributie wordt door de gemeenteontvanger geïnd.
 
Artikel 4                                                                                                               Zijn van de retributie vrijgesteld, de onderwijsinstellingen gevestigd op het gemeentelijk grondgebied. 

terug naar overzicht

 

 

 
Artikel 1
Met ingang van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012 kan een KGAcontainer
ter beschikking gesteld worden mits betaling van een retributie van 18,05 EUR.
De retributie is verschuldigd door degene die de KGA-container ter beschikking wil
krijgen.
 
Artikel 2                                                                                                              Deze retributie wordt door de gemeenteontvanger geïnd. 

Terug naar overzicht

 

 

 
Artikel 1
Met ingang van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012 kan:
- een compostbak aangekocht worden mits betaling van een retributie van 20 EUR.
- een compostvat aangekocht worden mits betaling van een retributie van 12,50 EUR.
De retributie is verschuldigd door degene die de compostbak/compostvat wil verkrijgen.

Artikel 2 - Deze retributie wordt door de gemeenteontvanger geïnd. 

Terug naar overzicht

 

 

Belasting op drijfkracht

Artikel 1
Met ingang van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012 wordt ten bezware van de nijverheids- handels-en landbouwbedrijven een belasting van 7,5 EUR. per kilowatt geheven op de motoren, ongeacht de krachtbron waarmede zij voortbewogen worden.
De belasting is verschuldigd voor de motoren die de belastingplichtige voor de uitbating
van zijn inrichting of van dezer bijgebouwen gebruikt.
Dienen als bijgebouw van een inrichting beschouwd: elke instelling, of onderneming en
elke werf van om het even welke aard, die gedurende een ononderbroken tijdvak van minstens drie maanden op het grondgebied van de gemeente gevestigd is.
De belasting is niet verschuldigd aan de gemeente, zetel van de inrichting, voor de motoren gebruikt in hierboven bedoelde bijgebouwen, in de verhouding waarin die motoren kunnen belast worden door de gemeente waar het bijgebouw gelegen is.
Wanneer hetzij een inrichting, hetzij een hierboven bedoeld bijgebouw, geregeld en duurzaam een motor gebruikt voor de verbinding met een of meer bijgebouwen of met een verkeersweg, is daarvoor de belasting verschuldigd in de gemeente waar hetzij de inrichting, hetzij het hoofdgebouw gevestigd is.
 
Artikel 2
De belasting wordt gevestigd op navermelde grondslagen:
a) omvat de inrichting slechts één motor, dan wordt de belasting gevestigd volgens de kracht opgegeven in het besluit waarbij vergunning tot het plaatsen van de motor verleend wordt, of akte genomen wordt van de plaatsing.
b) omvat de inrichting verschillende motoren dan wordt de belastbare kracht vastgesteld door de krachten, opgegeven in het besluit waarbij vergunning tot het plaatsen van de motoren verleend of akten van die plaatsing genomen wordt, op te tellen, en deze som te voorzien voor een simultaanfactor, veranderd volgens het aantal motoren.
Deze factor, gelijk aan de eenheid van één motor, wordt tot en met 30 motoren met 1/100 van de eenheid per bijkomende motor verminderd, en blijft daarna onveranderd en gelijk aan 0,70 voor 31 motoren en meer.
 
Artikel 3
 Zijn belastingsvrij:
1. Elke belastingplichtige ten belope van 15 kw.
2. De motoren die gans het jaar stilliggen. Het stilliggen voor een duur gelijk aan of langer dan een maand geeft aanleiding tot belastingvermindering in verhouding tot het aantal maanden gedurende dewelke de motoren stilgelegd worden.
Voor de berekening van de vermindering wordt rekening gehouden met de simultaanfactor welke op de inrichting van toepassing is.
Met een inactiviteit voor een duur van één maand wordt gelijkgesteld, de activiteit die beperkt is tot één dag werk op vier weken in de bedrijven die met de V.D.A.B. een akkoord hebben aangegaan inzake de activiteitsvermindering om een massaal ontslag van personeel te voorkomen.
Met een inactiviteit voor een duur van één maand wordt eveneens gelijkgesteld de inactiviteit gedurende een periode van één week, als het gebrek aan werk te wijten is aan economische oorzaken.
Indien het stilleggen van de motoren enkel te wijten is aan de sluiting van het bedrijf wegens jaarlijkse vakantie, zal deze periode niet in aanmerking genomen worden voor het bekomen van de belastingsvermindering. Geen belastingsvermindering kan verleend worden, tenzij op ter post aangetekende of tegen ontvangstbewijs afgegeven berichten, waarbij de datum van het stilleggen en de datum van het weder in gang stellen van de motor bekendgemaakt wordt aan het gemeentebestuur.
Voor het berekenen van de belastingsvermindering gaat de stillegging eerst in na ontvangst van het eerste bericht.
Bij afwijking van de in de laatste twee zinnen voorziene procedure, zal de vrijstelling ten voordele van de bouwondernemingen die verplaatsbare motoren gebruiken, volgens de hierna bepaalde regelen kunnen bekomen worden; deze ondernemingen zullen, voor ieder aan de belasting onderworpen machine, een boekje moeten bijhouden, waarin de dagen worden vermeld gedurende de machine in gebruik is en de werf waar zij is opgesteld.
Aan het einde van het jaar, zal de ondernemer zijn aangifte invullen aan de hand van de
in elk boekje voorkomende gegevens, met dien verstande dat er over de gegrondheid van de in de boekjes ingeschreven gegevens steeds fiscaal toezicht kan worden uitgeoefend.
Deze procedure is echter voorbehouden aan de bouwondernemingen die een geregelde
boekhouding voeren, die een schriftelijke aanvraag tot het schepencollege zullen richten en de toelating van dat schepencollege zullen bekomen hebben.
3. De motor van de rijtuigen die onder de verkeersbelasting op de autovoertuigen vallen of die speciaal van deze belasting zijn vrijgesteld door een bepaling van de desbetreffende samengeordende wetten;
4. De motor die een elektrische generator aandrijft, voor het gedeelte van het vermogen dat gebruikt wordt voor het aandrijven van de generator.
5. De persluchtmotor.
6. De motoren gebruikt voor waterbemaling, alsmede deze gebruikt voor ventilatie en verlichtingstoestellen.
7. De motoren van draagbare toestellen.
8. De reservemotor, dit wil zeggen deze waarvan de werking niet onmisbaar is voor de goede gang van zaken en die slechts werkt in uitzonderingsgevallen, voor zover zijn inwerkingstelling niet voor gevolg heeft dat de productie verhoogd wordt.
9. De wisselmotor, dit wil zeggen deze uitsluitend bestemd is voor hetzelfde werk als een andere, welke hij tijdelijk moet vervangen, de nodige tijd om de voortzetting aan de productie te verzekeren.
10.De motoren die in gasstations gebruikt worden om de compressoren aan te drijven, welke instaan voor het drukregime in de vervoerleidingen.
 
Artikel 4
Levert een onlangs geplaatste motor niet dadelijk het normaal rendement op omdat de ermede aan te drijven installaties onvolledig zijn, dan wordt de niet gebruikte kracht aanzien als reservekracht, in zover zij 20 % van de in het vergunningsbesluit opgegeven kracht overtreft.
Deze kracht wordt voorzien van de simultaanfactor die op de inrichting van toepassing
is.
In dat geval is de aangegeven kracht slechts geldig voor drie maanden, en moet de aangifte om het kwartaal vernieuwd worden zolang deze uitzonderingstoestand duurt.
Onder onlang geplaatste motoren worden verstaan deze waarvan de in gebruikstelling dateert van het doorgaand of van het voorlaatste jaar.
 
Artikel 5
De motoren die aan de belasting vrijgesteld zijn, alsmede die welke stilliggen, worden niet in aanmerking genomen voor het bepalen van de simultaanfactor.
 
Artikel 6
Wanneer de motoren uit oorzaak van een ongeval niet meer in staat zijn om meer dan 80 % van de geleverde kracht te gebruiken wordt de belasting berekend op de verbruikte kracht, op voorwaarde dat de gedeeltelijke activiteit minstens drie maanden duurt, en dat de beschikbare kracht niet voor andere doeleinden gebruikt wordt.
De gedeeltelijke buiten gebruikstelling moet binnen de acht dagen bericht worden aan het gemeentebestuur bij aangetekend schrijven of schriftelijk tegen ontvangstbewijs.
 
Artikel 6 bis
Wanneer de installaties van een nijverheidsbedrijf voorzien zijn van meetapparaten voor het maximum-kwartuurvermogen, waarvan de opnemingen maandelijks door de leverancier van elektrische energie worden gedaan met het oog op het factureren ervan en bijaldien dat bedrijf belast werd op grond van het bepaalde in de artikelen 1 tot 6 gedurende een periode van tenminste twee jaar, wordt het bedrag van de belastingen betreffende de volgende dienstjaren op verzoek van de exploitant, vastgesteld op basis van een belastbaar vermogen, bepaald in
functie van de variatie, van het ene tot het andere jaar, van het rekenkundig gemiddelde der twaalf maandelijkse maximum-kwartuurvermogens.
Daartoe berekend het bestuur de verhouding tussen het vermogen, dat voor het jongste belastingsjaar aangeslagen werd en het rekenkundig gemiddelde der twaalfmaandelijkse maximum-kwartuurvermogens opgenomen tijdens hetzelfde jaar; deze verhouding wordt "verhoudingsfactor" genoemd.
Vervolgens wordt het belastbaar vermogen elk jaar berekend door vermenigvuldiging van het rekenkundig gemiddelde der twaalf maximum kwartuurvermogens van het jaar met de verhoudingsfactor.
De waarde van de verhoudingsfactor wordt niet gewijzigd zolang het rekenkundig gemiddelde van de maximum kwartuurvermogens van het jaar niet meer dan 20 % verschilt van die van het refertejaar d.w.z. van het jaar dat in aanmerking werd genomen voor de berekening van de verhoudingsfactor.
Bedraagt het verschil meer dan 20 % dan telt het bestuur de belastbare elementen teneinde de nieuwe verhoudingsfactor te berekenen. Om het voordeel van de bepalingen van dit artikel te genieten, moet de exploitant, voor 31 januari van het belastingsjaar een schriftelijke aanvraag bij het gemeentebestuur indienen met opgave van de maandelijkse waarden van het maximum
kwartuurvermogen, welk  in zijn installaties werden opgenomen tijdens het jaar, voorgaande aan dat met ingang waarvan hij om de toepassing van deze bepalingen verzoekt; hij moet er zich voorts toe verbinden bij zijn jaarlijkse aangifte de opgave der maandelijkse waarden van het maximum kwartuurvermogen van het belastingsjaar te voegen om het bestuur toe te laten te allen tijde de in zijn installatie gedane metingen van het maximum kwartuurvermogen vermeld op de facturen voor levering van elektrische energie, te controleren.
De exploitant die deze wijze van aangifte, controle en aanslag verkiest verbindt zich
door zijn keuze voor een tijdperk van vijf jaar.
Behoudens verzet van de exploitant of van het bestuur bij het verstrijken van het optietijdvak, wordt dit stilzwijgend verlengd voor een nieuw tijdvak van vijf jaar.
 
Artikel 7
De telling van de belastbare elementen wordt gedaan door de beambten van het
gemeentebestuur. Deze ontvangen van de belastingsschuldigen een geschreven aangifte waarvan het model door het gemeentebestuur voorgeschreven wordt. De belastingplichtige is er toe gehouden eventuele veranderingen of verplaatsingen van motoren in de loop van het jaar aan het gemeentebestuur bekend te maken (behoudens wanneer hij op geldige wijze de regeling bedoeld bij artikel 6/bis heeft gekozen).
Artikel 8
Bij gebreke van een aangifte of bij onvolledige, onjuiste of onnauwkeurige aangifte wordt de belastingplichtige ambtshalve belast volgens de gegevens waarover het gemeentebestuur beschikt, onverminderd het recht van bezwaar en beroep.
Vooraleer over te gaan tot de ambtshalve vaststelling van de belasting, betekent het college aan de belastingplichtige, per aangetekend schrijven, de motieven om gebruik te maken van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van deze elementen en het bedrag van de belasting.
De belastingplichtige beschikt over een termijn van dertig dagen volgend op de datum van verzending van de betekening om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen.
 
Artikel 9
De ambtshalve ingekohierde belasting wordt verhoogd met een bedrag gelijk aan 50% van de verschuldigde belasting. Het bedrag van deze verhoging wordt ingekohierd.
 
Artikel 10
De belasting wordt ingevorderd bij wege van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van Burgemeester en Schepenen.
 
Artikel 11                                                                                                               De vestiging en invordering van de belasting, evenals de regeling van de geschillen ter zake gebeurt volgens de modaliteiten vervat in de gelijknamige wet van 24/12/1996 zoals aangevuld en gewijzigd door de wet van 15/03/1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen en latere aanvullingen en het uitvoeringsbesluit ter zake.

 

 
  Afdrukken    
     
Contact
 


Financiële dienst
Tel. 014 85 99 20
Fax: 014 85 07 77
fin@kasterlee.be


Financiële dienst
Tel. 014 85 99 20
Fax: 014 85 07 77
fin@kasterlee.be

 
  Afdrukken    
     
Gebruiksovereenkomst | Privacybeleid | Copyright 2008 Gemeente Kasterlee